Kerstverhaal

  • Kerstverhaal van Sam

    Print

    Sam ben ik, ik ben Sam

    Sam, 16 jaar en mijn hobby is voetbal. Ik wil later technieker worden. Liefst nog bij mijn nonkel in de garage. En misschien kan ik later de zaak overnemen. Ik heb dromen, ik heb toekomst en twee goeie handen waar ik zeker wat mee kan bereiken. Mijn mama zegt dat ik de rust en het verstand van mijn vader heb. ‘Ge hebt nen goeie kop op uw schouders’ zegt ze dan.

    De kleine stad waar ik woon is erg mooi. Veel ruime wegen met mooie pleinen, bankjes, bomen, vogels en honden die op het gras hun ding doen. Het oude centrum ligt in het midden, met aan de rand het moderne, laat ons zeggen het leukere gedeelte. Daar is het winkelcentrum waar we altijd rondhangen omdat er nu eenmaal veel meisjes gaan winkelen. Ook de Mc Donalds en de filmzaal zijn daar. Achter de filmzaal zijn dan de cafés en nog iets verder de lokale fuifzaal. Van hieruit heb ik daar een mooi zicht op.

    De laatste tijd is het hier iets minder rustig. Allemaal politieke flauwekul! Ik kan het eigenlijk niet goed volgen maar het komt hier op neer: Diegene die aan de macht zijn, maken enkel de rijken rijker. Voor de gewone mensen doen ze niets, helemaal niets!

    We zijn dus begonnen met protestacties. In het begin rustig, maar daarna steeds heviger. Ze hebben er dan niets anders op gevonden dan die acties te verbieden en het leger overal neer te zetten. Dat lokte natuurlijk nog meer protest uit, dus nog meer acties, met als gevolg weer meer leger.

    ’t Is eigenlijk wel terecht dat de gezaghebbers van mijn land eindelijk eens op hun plaats gezet worden, want ze zijn niet erg goed geweest voor ons. Ze hebben veel geld in hun eigen zakken gestoken en de gewone mensen lieten ze in de kou staan.

    Van het ene komt het andere en nu zijn we hier dus zover dat het volk tegen het leger aan het vechten is. Het enige nadeel is dat het leger tanks en vliegtuigen heeft en wij dus niet. Een hele afdeling van de verzetsstrijders heeft zich in ons stadje teruggetrokken. En nu is mijn stad dus een doelwit voor het leger. Dagen aan een stuk werd er geschoten, vlogen er vliegtuigen over en ontplofte overal bommen. De stad is een puinhoop, alles is kapot. We leven in angst voor het leger, de bommenwerpers, de rebellen, zelfs voor de mensen die je vroeger dacht te kennen. Je kan niemand meer vertrouwen.

    Vroeger was het zo anders, zeker rond deze periode! Mensen waren niet bezig met overleven, maar met leven. We kochten elkaar cadeautjes en we versierden samen kerstbomen, we dolden en holden in de hagelwitte sneeuw. De mooiste periode van het jaar hier, alles wit! Maar zelfs dat laatste is nu geen zekerheid meer! Roetzwart, troosteloos bruin en bloedrood zijn de kleuren die de sneeuw nu brengt.

    Kerstmis, vrede op aarde, dat zal er voor ons niet inzitten! Ik heb nooit echt in God geloofd, daar niet van. Maar nu, nu er niets meer is, is Hij misschien het enige wat nog rest.

     

    Sterren uit de hemel

    Heel de stad was een doelwit dus ook ons huis.

    Sterren uit de hemel zei mijn broertje. De uk weet gelukkig niet beter!  Maar het waren de bommen en raketten  van de vliegtuigen en ander oorlogstuig. Niets bleef ervan gespaard, zelfs niet onze keuken. Je kan je wel voorstellen dat er van het huis niet veel meer overblijft. Ik kan van hieruit recht in onze kelder kijken. Alles kapot, alle spullen op mijn kamer, mijn bed, de tafel, noem maar op …

    Veel mensen zijn er niet meer, de meeste zijn omgekomen, zelfs jonge kinderen, niemand wordt gespaard.

    Ik ben woedend, ik zou alles kapot willen slaan, ik stamp wat rond in het puin van de buren en vind wat boeken, allez ’ t is te zeggen flarden ervan.  Ik duw lichtjes zoekend met mijn voet wat tussen de rommel, tiens een bijbel. Gek, denk ik, alles wat nog rest! Een stomme bijbel! Ik raap hem op en veeg het stof eraf! Ik moet weer denken aan vroeger, aan opa, die met Kerst absoluut het hele godganse kerstverhaal wou voorlezen, terwijl wij aan het kwijlen waren naar het eten!!! Kwaad dat ik daar van kon zijn, die flauwe zever!!! Maar nu, na dit, merk ik dat dit me doet glimlachen, en dat deze herinneringen me op de been houden. Het is alsof ik er terug ben, alsof het nog toen is...

     

    Vluchten

    ’t Is koud aan ’t worden op de aardbol. ’s Morgens hangen de ijspegels als kristallen aan de goot, het lijkt haast kerstversiering!  Mijn broertje en mama hebben jammer genoeg niets om zich mee te verwarmen. Sinds de bombardementen op de stad zijn alle gasleidingen afgesloten. Hout is ondertussen een zeldzaamheid geworden en wordt in de eerste plaats gebruikt om eten op te koken. Zelfs de oude boeken van de buren zijn in het vuur beland.

    ’t Is hier ook zo stil. ’t Begint op een spookstad te lijken. Steeds meer mensen trekken weg en zoeken elders hun onderkomen. Ook mijn broertje en mijn mama proberen te vluchten naar een ander land. Alles mee genomen wat nog heel was. Twee dekens, en het beetje eten wat nog rest.

    De tocht is zwaar en gevaarlijk. Overal kan je op het leger stoten of op de rebellen. Voor iedereen ben je verdacht en nergens ben je veilig. ’s Nachts proberen ze zo veel mogelijk afstand af te leggen en overdag rusten ze uit en hopen ze dat niemand hen ziet. Bijna een week onderweg en het vermoeiende tempo begint zijn tol te eisen.

    Gelukkig is er een dorpje in de buurt waar nog een nonkel van mijn vader woont. Daar gaan ze proberen de nacht door te brengen en op kracht te komen alvorens de laatste etappe naar de grens kan beginnen.

    Toen mijn mama op de deur klopte van het huis van mijn nonkel keek ze wel heel raar op. Dat was mijn nonkel niet. Dat was iemand anders. Mijn nonkel bleek ook te zijn gevlucht en deze onvriendelijk boertige man had van de gelegenheid gebruik gemaakt om het huis in te nemen.

    Mijn moeder barstte in tranen uit. Wat nu? Waar slapen? Nog een nacht in de koude buitenlucht zag ze echt niet zitten. De batterij was reeds lang op. IJskoud, doodmoe en machteloos was ze!

    Na een half uur snikken raapte mama alle moed bij elkaar en besloot ze dan maar op elke deur te kloppen en te vragen of ze de nacht mochten doorbrengen. Mijn kleine broertje was haar enige houvast. En ik verzeker je: op deuren kloppen in het midden van de nacht terwijl er een oorlog bezig is, is niet de meest dankbare opdracht. Als er al werd opengedaan dan was dat om een geweer onder ons neus te duwen. Het verhaal dat het bijna kerst was en dat toch ook zij onderdak verdienden werd enkel ontvangen met het dichtzwaaien van de deur.

    Na een tijdje gaven ze het gewoon op. Ze strompelden verder het dorp terug uit. Mijn broertje zei nog tegen mama, een beetje als wanhopige alles reddende humor:  “we vinden misschien ne stal, daar heeft Maria zelfs ne kleine in gekregen, dus dat zal ook wel goed zijn.” Ze reageerde niet. Wat verder in het veld stond een autowrak. Alle ramen kapotgeslagen maar de zetels hadden ze laten zitten. Beter dan op de grond te liggen. En daar lagen ze dan, op de achterbank van de auto onder een veel te dun miezerig dekentje.

    Mama hield zich sterk tot mijn broertje sliep. Daarna begon ze zachtjes te huilen, de tranen rolden over haar wangen. Ze weende om alles wat er gebeurt was, alles wat ze verloren was. Ze weende om mij … maar ik kon haar ook niet helpen. Ik wou haar zo graag vastnemen, een knuffel geven en zeggen dat alles goed kwam. Ik wou haar tranen drogen en haar aan het lachen krijgen, maar...

     

    Sam ben ik, ik ben…

    Probeer haar te troosten denk ik! Maar ze blijft huilen, ze kijkt niet eens naar mij. Ze geen kick! Plots kijkt ze naar de sterren, het doet pijn ze zo te zien. Zo ongelukkig. Zo klein, zo hopeloos en ik… ik ben… dood!!!

    Na de nacht in de auto zijn ze verder getrokken en hebben de grens overgestoken. In ons buurland proberen ze nu een nieuw leven op te bouwen.

    Ze worden geconfronteerd met waanzinnige toestanden. Van a naar z gestuurd en weer terug. Waar zouden ze in godsnaam papieren vandaan moeten halen als heel je huis ontploft is? ’t Is natuurlijk ook niet het moment om even een vriendelijke brief te sturen naar het gemeentehuis (dat ook plat ligt!) om even nieuwe te maken…

    ’t Is verschrikkelijk om mijn familie zo in moeilijkheden te zien. Ik wou dat het allemaal niet zo moeilijk was in de wereld. Waarom zou je anders zijn omdat er ooit ergens een grens getrokken is? Maakt dat nu echt uit? Maakt het uit welk geloof we hebben? Waar we vandaan komen, welke maat schoenen we hebben, wipneus of niet! Kunnen we niet gewoon samenleven? Als mensen, niet meer niet minder. Stel je dat eens voor.

    Ik voel mij zo onwezenlijk. Ik kijk verder in onze wereld. Mijn familie is niet alleen. Neen, er zijn duizenden mensen op zoek naar een beter leven. Zo veel mensen die beter verdienen. Zo veel mensen die niet meer vragen dan een kans om gelukkig te leven.

    Stel je dat eens voor, dat dat kan. Stel je voor …

     

    Sam die was

    Ik, weet het niet, of beter nog niet, of het goed gaat komen met mijn mama en mijn broertje. Maar eerlijk gezegd, dat hangt vooral af van jullie.

    Geven jullie haar een kans, of krijgt ze die niet? Beseffen jullie, dat jullie godsdienst, dat jullie Kerst vooral draait om solidariteit, liefde en genegenheid? Of gaat het bij jullie enkel  nog om het vergaren van een hoop spullen die in een knip weggevaagd en/of door de kamer kunnen knallen?

    Ach het is Kerstmis!

    Maar stiekem hoop ik toch dat je even de tijd neemt om over mijn verhaal na te denken, al is het heel even!! En al is het om enkel te beseffen dat je het zo slecht niet hebt!

     

    Mijn verhaal,

    Getekend,

    Vertrouweling en vriend van “Hij die is”,

    Sam die was!

     

    Bob & Roy Gevan

  • Kerstmis

    Print

    Alleen met kerst

    Het zou niet mogen

    Het mag niet kunnen

     

    Ik wil het niet weten

    Winkels wachten

    Cadeaus lachen me toe

     

    Het zal en moet glanzen

    Warm gezellig moet het zijn

    Laat arm koud, ik warm

     

    Zet af slecht nieuws

    Doe kerstlichtjes aan

    Eis gezelligheid

     

    Geen gezeik, noch gezeur

    Kerst moet en zal blinken

    Hopelijk is er sneeuw

     

    Schrap Zijn naam: Kerstmis

    Vergeet Jezus en de Schijnheiligen

    Pakjesgala en Kadofeest komt eraan.

     

    RG

  • Kerstverhaal

    Print

     

    Het meisje met de zwavelstokjes vs. Hendrik de Rijke

    Andersen vs. Roy Gevan

     

     

    Beste Mensen, vrienden en kennissen,

    Zoals gebruikelijk volgt een kerstverhaal. Maar ik heb het wat anders aangepakt als voordien. Ik kan al een tip van de sluier lichten door jullie te vertellen dat er dadelijk geen kerstverhaal wordt verteld, of toch? Ik ben benieuwd of jullie de kerstboodschap, of moet ik zeggen de meerdere kerstboodschappen, uit het volgende verhaal kunnen halen.

    Er was eens…

     


    Het meisje met de zwavelstokjes

     

    Het was afschuwelijk koud, het sneeuwde en het begon donker te worden. Het was ook de laatste avond van het jaar, kerstavond.

    In die kou en in dat donker liep er op straat een arm, klein meisje, zonder muts en op blote voeten. Ze had wel pantoffels aangehad toen ze van huis ging, maar dat hielp niet veel: het waren heel grote pantoffels, haar moeder had ze het laatst gedragen, zo groot waren ze, en het meisje had ze bij het oversteken verloren, toen er twee auto’s vreselijk hard voorbijvlogen. De ene pantoffel was niet te vinden en met de andere ging er een jongen vandoor: hij zei dat hij hem als wieg kon gebruiken als hij later kinderen kreeg.

    Daar liep dat meisje dus op haar blote voetjes, die rood en blauw zagen van de kou. In
    een oud schort had ze een heleboel zwavelstokjes en één bosje hield ze in haar hand. Niemand had nog iets van haar gekocht, de hele dag niet. Niemand had haar ook maar een stuivertje gegeven.

    Hongerig en koud liep ze daar en ze zag er zo zielig uit, dat arme stakkerdje! De sneeuwvlokken vielen in haar lange, blonde haar, dat zo mooi in haar nek krulde, maar aan dat soort dingen dacht ze echt niet. Uit alle ramen scheen licht naar buiten en het rook overal zo lekker naar gebraden gans; het was immers
    oudejaarsavond
    en daar dacht ze wel aan.

    In een hoekje tussen twee huizen, waarvan het ene een beetje vooruitstak, ging ze in elkaar gedoken zitten. Haar beentjes trok ze onder zich op, maar ze kreeg het nog kouder, en naar huis durfde ze niet, want ze had geen zwavelstokjes verkocht en ook geen stuivertje gekregen. Haar vader zou haar slaan en thuis was het trouwens ook koud.

     

    Hendrik de rijke,

     

    Hendrik de rijke zo noemen mijn vriendjes me. Niet dat ik zo rijk ben, dat vind ikzelf toch niet, maar zij zijn eerder arm. Dat kan je bijvoorbeeld zien aan het feit dat ze voetbalschoenen aan hebben van 3 seizoenen geleden. Compleet niet “vet” meer, ik kan het weten! Vanavond… pfff ik mag er niet aan denken… Vanavond is het bij ons thuis kerstfeest. Al de dikke nekken en hun madammen, soms nog dikker, van het bedrijf van onze pa zullen er zijn. En ik ook! Zucht! Ik ken echt geen saaiere bende dan die mensen! Ze hebben me al zeker 10 x verwittigd dat ik braaf moet zijn. Niet dat ik anders stout ben, maar hoe kon ik nu weten dat de chiwawa van mevr. de baronnes zou doodvriezen als je ik hem eventjes in de sneeuw gooide!

     

    Ik ga er vandoor! Ik ga naar mijn kameraden! Met de fiets als het moet! Maar wacht eens even, is dat sneeuw buiten? Hmmm, dan zal ik me toch maar induffelen en mijn sneeuwbotten aandoen. Ik wil nu ook weer niet bevriezen op straat! Alhoewel de barrones dat niet erg zal vinden denk ik.

     

     

    Het meisje met de zwavelstokjes woonde vlak onder het dak en daar blies de wind doorheen, ook al waren de ergste kieren met stro en oude lappen dichtgestopt.

     

     

    Ze zat daar in de kille straat op de grond en had bijna geen gevoel meer in haar handjes van de kou. O, wat zou een zwavelstokje lekker warm zijn! Zou ze er eentje uit het bosje durven trekken en het tegen de muur afstrijken om haar handen te warmen?

     


    Ze trok er een uit. "Ritsss..." Wat vlamde dat, wat brandde dat! Het gaf een warm, helder vlammetje, net een kaarsje, toen ze haar handen eromheen hield.

    Een wonderlijk licht gaf het. Het meisje dacht dat ze voor een grote, ijzeren kachel zat met glimmende koperen ballen en een koperen trommel. Het vuur brandde zo heerlijk, het was zo lekker warm.

    Maar wat was dat? Het meisje strekte haar voetjes al uit om die ook te warmen - toen ging de vlam uit, de kachel verdween - en zij zat met een stompje van het afgebrande zwavelstokje in haar hand.

     

    Ik ben Hendrik de rijke, de beste wielercoureur van de besneeuwde berglandschappen. Crossen gelijk gek tegen de kou, dat is wat ik doe! Naar mijn maten toe, hehe dat rijmt denk ik zo! Goed bezig kerel, echt sterk! Ne echte wielergod, ne flandrien met de beste en coolste fiets in town. Ik scheur door de straten, huis na huis, straat na straat. Tot bij Frank, "allez" Frankie!!!

     

    Even bellen, waar is de bouwvallige deur, ah daar. Typisch, kloppen want de bel doet het niet! Ah daar se, Frankie, alles goed jong! Man ik ben naar hier gescheurd! Raar maar het leek wel of daarachter iemand in de straat op de grond zat. Maar ik zal me wel vergissen!  Zal een sneeuwman of zo zijn geweest, die ik door mijn verschroeiende snelheid voornam als een mens!

     

    Hij frankie zijn we weg, belleke trek of liedjes gaan uitkramen bij de mensen? Voor geld! Want dat kan je nooit genoeg hebben hé!

     

      

     

    Het meisje met de zwavelstokjes stak er nog een aan. Het brandde, het gaf licht en waar het schijnsel op de muur viel, werd die doorzichtig, net als een sluier. Ze keek zo de kamer in, waar de tafel gedekt was met een spierwit tafelkleed, met het fijnste porselein. De gebraden gans, gevuld met pruimen en appeltjes, stond heerlijk te dampen. En wat het aller-heerlijkst was, de gans sprong van de schaal en waggelde met een vork en mes in zijn rug over de grond. Hij kwam recht op het arme meisje af; toen ging het zwavelstokje uit en was alleen de dichte, koude muur er nog.

     



    Ze stak er nog een aan. Toen zat ze onder de mooiste kerstboom, nog groter en nog rijker versierd dan de boom die ze door de glazen deur bij de rijke koopman had gezien, vorig jaar met Kerstmis.
    Er brandden wel duizend kaarsjes aan de groene takken, en gekleurde prentjes, zoals je die in etalages ziet, keken haar aan. Het meisje strekte haar beide handen uit - toen ging het zwavelstokje uit, de vele kerstkaarsjes gingen de lucht in en veranderden in sterren, zag ze. Eentje viel er en liet een lange streep van vuur achter aan de hemel. "Nu gaat er iemand dood," zei het meisje. Want haar oude grootmoeder, de enige die lief voor haar was geweest, maar die nu dood was, had gezegd: "Als er een ster valt, gaat er een zieltje naar God."

    Ja Frankie, ja tis goed! We zullen gaan zingen! Gij zaagt zoals mijn ma jong,  als ge nie stopt begraaf ik u in de sneeuw zoals die chiwawa! Dan kan ik nog eens lachen! Trouwens zingen is ok jong, dan kunnen we u misschien eens fatsoenlijke voetbalschoenen kopen. Kom daar is volk, we bellen! Ik zal het woord wel voeren, want gij met uwe ijzerwinkel in uwe mond! Dag madam, wij komen… Allé jong, Frankie hebt ge dat gezien die” ouw taart” smijt de deur dicht! Kom jong we gaan verder. Wat, wat brabbelt ge allemaal, ge hebt licht gezien. "Allez" dan wordt ge toch nog ne slimme Frankie, hahahaha. Nee serieus, wa? In de straat hebt ge licht gezien. Frankie ge zijt toch niet ziek aan het worden hé man. Want gekken heb ik thuis genoeg. Licht gezien! Hoe is het mogelijk, bijna mijn bomma die zag net voor ze stierf ook vanalles!

     

    Het meisje met de zwavelstokjes streek weer een zwavelstokje af tegen de muur, het gaf licht en in het schijnsel stond haar oma, heel duidelijk, heel stralend, heel vriendelijk en lief. "Oma!" riep het meisje. "O, neem me mee! Ik weet dat je weg bent, als het zwavelstokje uitgaat. Weg, net als de warme kachel, de gebraden gans en die prachtige, grote kerstboom."

     


    Haastig streek ze de rest van de zwavelstokjes uit het bosje af, want ze wilde oma vasthouden. De zwavelstokjes gaven zoveel licht dat het klaarlichte dag leek. Oma had er nog nooit zo mooi en zo groot uitgezien. Ze nam het kleine meisje op haar arm en ze vlogen, stralend en blij, heel, heel hoog. Er was geen kou, geen honger, geen angst - ze waren bij God.

    Het is kerstmis,

    En ik hoop dat jullie allemaal Rijke Hendrik mogen zijn, een hele vakantie lang. Voor altijd zelfs!  Maar ik hoop toch ook dat jullie af en toe denken aan het meisje met de zwavelstokjes.

    Prettige vakantie!
    Zalig Kerstmis! 

     

    RG,

    Dank aan Bob